NWEA waarschuwt voor verkeerde keuze windturbine in Regionale Energie Strategieën

| 27 maart 2020

© NWEA

Terwijl op dit moment in Nederland de Regionale Energie Strategieën worden opgesteld waarschuwt de Nederlandse WindEnergie Associatie (NWEA) dat hierbij niet voor te kleine windturbines gekozen moet worden. Deze zouden de businesscase onmogelijk maken.

Volgens de brancheorganisatie verkijken regio’s die in hun berekeningen uitgaan van 3 MW windturbines, de op dit moment meest voorkomende windturbine op land, zich op deze keuze. Er wordt soms uitgegaan van onrealistisch veel turbines in één gebied (of strook). Daarnaast gelden er veelal provinciaal opgelegde hoogte- en/of rotoroppervlakte-beperkingen, aldus NWEA. Bij het berekenen van de opbrengst moet je rekening houden met de ashoogte, de grootte van de turbine en de windsnelheid. De opbrengst van een windturbine daalt echter niet evenredig als je de turbine verkleint. Zo levert twee keer grotere bladen vier keer meer opbrengst op (zie voorbeeld berekeningen). Dit terwijl het voor het zicht het verschil tussen bijvoorbeeld een 160 en 200 meter hoge windturbine lastiger te bepalen is.

NWEA verwijst naar het klimaatakkoord waarin een strak kostprijsreductiepad is vastgelegd, dat ook als maximum geldt voor de jaarlijkse SDE bedragen. Dat kan volgens NWEA alleen gehaald worden als gebruik wordt gemaakt van de modernste windturbines. Afhankelijk van de locatie zouden een 4 of 6 MW windturbine, zoals tegenwoordig veelal gekozen, naar verhouding veel meer én goedkopere energie opleveren. Daarom is handreiking RES 1.1 na overleg met NWEA ook een nu gangbare turbine van 5,6 MW opgenomen.

Om de RESsen zo goed mogelijk te ondersteunen is de brochure ‘Hernieuwbare Energie op Land’ opgesteld door diverse experts, waaronder NWEA. Daarnaast geeft NWEA aan dat haar leden beschikbaar om binnen de regio’s hun kennis in te brengen.

 

Tags: , , , ,

Category: Regionale Energie Strategie, Windenergie

Reacties zijn gesloten.